Wat doe jij met VTS?

community live.jpg

Op 19 november vond in Amsterdam de tweede VTS Community live plaats in de ASVO school. De ASVO is een heuse VTS school, waar alle kinderen VTS lessen krijgen. ‘Het gesprek met wat we niet kennen’ was de titel van de lezing die Josette Jacobs gaf. Zij is universitair docent filosofie aan Wageningen University. In de lezing legt zij het verband tussen wetenschappelijk begrip en VTS.  Haar verhaal werd met enthousiasme ontvangen. Aan verschillende ‘dialoogtafels’ werden vervolgens ervaringen uitgewisseld.

Het groepje ‘VTS in het wetenschappelijk onderwijs’ constateerde dat een klein uur veel te kort was en smeedden plannen voor een vervolg. Meer mensen spraken zich uit voor een langere Community live bijeenkomst. Ook hoorden we dat mensen behoefte hebben aan een digitale ontmoetingsplek. We zoeken uit of en hoe dat een besloten deel op onze website zou kunnen zijn. De VTS facebook groep is vooralsnog de plek om elkaar te vinden en vragen te stellen.

Josette’s beschreef wetenschappelijk onderzoek als een ontmoeting met hetgeen we nog niet kennen. De koppeling met VTS was horizon verbredend. VTS biedt een ruimte om te ervaren hoe we hetgeen we nog niet kennen, een kunstwerk in dit geval, tegemoet kunnen treden. Als sluitstuk van de lezing bekeken we een foto uit de verzameling van het NY Times Learning Network en reflecteerden vervolgens op de vraag op welke manier de invalshoek van Josette ons verrijkt had in het denken over VTS.

Angelique Groen schoof aan bij de dialoogtafel ‘verbreding’ van VTS waar Caroline van Houten vertelde over de praktijk bij haar op de ASVO-school en doet verslag: ‘In de ASVO heeft VTS een toegevoegde waarde. VTS benoemen ze als ‘informatie verwerking via beeld’. Het is als leermethode opgenomen in het beleidsplan van de school.Bij alle vakken start men zoveel mogelijk met KIJKEN in plaats van LEZEN. Door eerst te kijken ontstaat meer begrip dan wanneer er eerst gelezen wordt. Ook bij rekentabellen, programmeren, geschiedenis en aardrijkskunde. Als voorbeeld noemt Caroline landkaarten. Door eerst te kijken kun je al veel ontdekken en komt een en ander meer tot leven dan wanneer er een beschrijving van een kaart gelezen wordt.

Door het kijken en kunnen benoemen kan een inschatting gemaakt worden waar de les/ het hoofdstuk over zal gaan. Het leren verloopt via waarnemen, luisteren naar en leren van elkaar. Het leren gaat niet uitsluitend met het hoofd, maar verloopt tevens via hart en handen. Tot begrip komen via waarnemen blijkt voor alle kinderen goed te werken, zowel voor de moeilijk lerende kinderen als voor de kinderen van de plusklassen.
De VTS vragen worden bij zoveel mogelijk lessen ingezet. De geoefende leerkracht ontdekt steeds meer mogelijkheden tot toepassing. De VTS vragen blijken ook bij het nabespreken van ruzies tijdens pauzes goed te werken, door te vragen naar het beeld; “wat heb je gezien?” Een deel van de onderlinge uitwisseling ging over het bespreken van bewegend beeld, film en video. Als tip werden de traag bewegende filmbeelden van de kunstenaar Bill Viola genoemd.’

Marieke van de Velden zat aan tafel bij Angela Adank en beschrijft in het kort waar over gesproken werd: ‘Angela vertelde over haar masteronderzoek 'Kritischer denken door kijken naar kunst met VTS' onder leerlingen van groep 5. Ze heeft kinderen getoetst door ze (individueel) een afbeelding te laten beschrijven, en criteria vastgesteld om die tekst te beoordelen. Conclusie: de kinderen die ervaring hadden met VTS schreven langere teksten en hadden meer associaties dan de controlegroep die geen VTS deed. Het was een onderzoek onder een klein aantal leerlingen, er is dan ook meer onderzoek nodig naar de invloed van VTS op met name begrijpend lezen en taalontwikkeling.
Verder werden er ervaringen uitgewisseld over VTS en NT2. Aanwijzen blijkt heel nuttig voor een NT2 groep. Zelfs een kind dat nog nauwelijks Nederlands spreekt, kan wat met VTS, als de rest van de groep dan maar wel Nederlands spreekt. Na de VTS-sessies van Angela namen kinderen de afbeelding mee terug naar de klas, zodat ze er de rest van de week nog op terug konden komen. Dat bleek goed te werken.’

Adelijn van Huis